| ENG Self-translation SPA Autotraducción |
inhoud
Inleiding | Heden en verleden | Een verschil in aard of enkel in mate? | Kenmerken van de zelfvertaling | Onderzoekspotentieel
**
Luidens een recente definitie is zelfvertaling ‘the phenomenon of an author producing an additional text by translating their own written work into another language.’ Door deze ‘aanvullende’ of ‘bijkomende tekst’ te vermelden, benadrukken Gentes & Van Bolderen (2022: 369) dat het tweetalige zelfvertalingsproces normaal gesproken uitmondt in een tweede tekst. In oudere definities – met uitzondering van Hokenson & Munson (2007: 3) – werd dit aspect niet expliciet benadrukt maar vooral impliciet begrepen. Bijgevolg vallen zogenaamde ‘mentale vertalingen’, die enkel in iemands hoofd plaatsvinden en geen verbaal of schriftelijk spoor achterlaten, traditioneel buiten het onderzoeksveld.
Zelfvertalingen zijn doorgaans op zichzelf staande teksten. De chronologisch tweede versie deelt zelden redactionele ruimte met haar antecedent (of brontekst) maar verschijnt in een apart boek (vaak bij een andere uitgeverij, in een andere stad of zelfs een ander land). Hoewel tweetalige uitgaven bestaan (Gentes 2013), met name van poëziebundels, is dit niet typisch voor zelfvertalingen, die normaliter hun eigen leven leiden in hun eigen taal. Ze worden ook niet vaak zij-aan-zij gelezen met de originele versies. De meeste lezers beschouwen zelfvertalingen als volwaardige herformuleringen van teksten in een andere taal, waartoe ze al dan niet toegang hebben. De resulterende ‘tweelingteksten’ zijn niet vergelijkbaar omdat ze elkaars perfecte kopieën zouden zijn, maar in die zin dat ze gelijkwaardig zijn in de ogen van hun auteurs, die hun zelfvertalingen soms zelfs bestempelen als zgn. ‘tweede originelen.’ Dit was een geliefkoosde uitdrukking van Isaac Bashevis Singer, de Pools-Amerikaanse schrijver die talloze van zijn Jiddische kortverhalen naar het Engels vertaalde en daarvoor in 1978 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg.
Zelfvertalers vindt men op elk bewoond continent. De praktijk komt wellicht vaker voor in postkoloniale contexten of bij minderheidsgroepen, ongeacht of het gaat om gevestigde nationale minderheden of immigrantengemeenschappen. Schrijvers met zulke achtergronden bekleden allemaal dynamische tussenposities die hen tegelijkertijd dwingen én in staat stellen om talige en culturele grenzen te overschrijden, heronderhandelen en heruitvinden. Het zou echter kortzichtig zijn om ervan uit te gaan dat zelfvertaling uitsluitend de postkoloniale schriftuur aangaat, of enkel culturele minderheden en migranten betreft. De door Eva Gentes bijgehouden online bibliografie vermeldt honderden schrijvers met de meest uiteenlopende achtergronden. Bovendien behoren de volgens Gentes (in Lushenkova Foscolo & Smorag-Goldberg 2019: 145-147) meest bestudeerde auteurs – nl. Samuel Beckett, Vladimir Nabokov, en Nancy Huston – tot geen van de drie voornoemde categorieën.
De oogst is niet minder indrukwekkend wanneer we teruggaan naar het verleden (Santoyo 2005; Hokenson & Munson 2007). Vooral de late Middeleeuwen en de Renaissance vormden een vruchtbare bodem voor zelfvertaling. Vanaf het Italiaanse Trecento tot ver in de 17e eeuw namen talloze auteurs deel aan een grootschalige operatie van 'kennisoverdracht' (translatio studii), die met name gebeurde via vertaling en zelfvertaling, door het beschikbaar maken van Latijnse (en in mindere mate Griekse) teksten in Europa’s nieuwe nationale talen. In die context herschreven nogal wat geleerden hun in het Latijn gestelde oeuvre in de volkstaal – of soms andersom, om een pan-Europees publiek over de landsgrenzen heen te bereiken.
![]() |
![]() |
| Karl Gjellerup (l) en Tadeusz Rittner (r) zijn twee 19e-eeuwse auteurs die kritiek ondergingen omdat ze hun werk vertaalden naar of van het Duits | [Bron1 & Bron2] |
Heel wat later ontstond er een Romantische cultus rond de begrippen ‘nationale’ taal en ‘moedertaal.’ Inmiddels waren een aantal Europese talen gevestigde waarden geworden: erkend en zelfs gepromoot door hun respectievelijke Staten, moesten ze niet langer concurreren met het Latijn. Als gevolg van dit Romantisch discours werd tweetaligheid echter steeds vaker gezien als een uiting van verscheurdheid, van verdeelde loyaliteit, hetgeen op zijn beurt vele vormen van tweetalige schriftuur ontmoedigde. De Deen Karl Gjellerup en de Pools-Oostenrijkse toneelschrijver Thaddäus (Tadeusz) Rittner zijn slechts twee voorbeelden van 19e-eeuwse zelfvertalers wier reputatie tijdens en na hun leven te lijden had onder het feit dat ze gelijktijdig in twee nationale talen actief waren.
In de afgelopen honderd jaar zien we dan weer een heropleving van literaire tweetaligheid en zelfvertaling, als gevolg van enerzijds de grotere erkenning (en daarmee gepaard gaand: onderwijs en geletterdheid) van voorheen gemarginaliseerde talen, of het nu gaat om Europa’s culturele minderheden of om haar voormalige koloniën, en anderzijds de wereldwijde migratie. Beide ontwikkelingen leidden tot de vorming van grote groepen tweetalige individuen, wat veel verder gaat dan het vroeger al bestaande wereldburgerschap (kosmopolitisme) van reizende elites. Sommige migranten waren ‘thuis’ al schrijvers en zetten hun carrière voort in een andere taal na een periode van zelfvertaling (Beaujour 1989: 37); anderen werden pas schrijvers in hun nieuwe land, waar hun tweetalige en biculturele opvoeding de basis legde voor toekomstige zelfvertalingsprojecten.
Ondanks hun grote aantal en hun zichtbaarheid – maar liefst twaalf zelfvertalers ontvingen de Nobelprijs (Santoyo 2005: 864; Grutman in Cordingley 2013: 70-72 en in Lushenkova Foscolo & Smorag-Goldberg 2019: 23-24) – kreeg het fenomeen pas academische belangstelling in de jaren negentig. Ouder onderzoek was indirect en bleef verborgen in boeken over individuele schrijvers zoals Beckett of Nabokov, die nog vaak werden beschouwd als excentrieke uitzonderingen, bijna aristocratische acrobaten, koorddansers van de vertaling, in plaats van als indicatoren van meer algemene tendensen. De talencombinaties in deze boeken waren bovendien beperkt: Engels en Frans, Russisch en Engels, Russisch en Frans. Dezelfde combinaties zijn te vinden in Oustinoffs (2001) vroege dissertatie over Beckett, Nabokov, en Julien Green. Frans is nog steeds de rode draad in het boek van Hokenson & Munson (2007: 15), maar sindsdien wordt aandacht besteed aan schrijvers in vele andere talen: Spaans, Italiaans, Pools en Duits, maar ook Arabisch en andere talen uit voormalige koloniën.
Het grotere toepassingsgebied van wat soms ‘zelfvertalingsstudies’ (Anselmi 2012: 11-17) of ‘autotraductologie’ (Lagarde in Lagarde & Tanqueiro 2013: 10-11) wordt genoemd, maakt een ruimere benadering van het onderwerp mogelijk, waarbij een breed scala aan voorbeelden uit zowel het Mondiale Zuiden als het Mondiale Noorden in aanmerking komt – zonder daarbij het zogenaamde ‘rest of the West’ (nl. Europese kleinere landen en talen met beperkter bereik) te vergeten.
Een verschil in aard of enkel in mate?
Bij nader onderzoek blijken zelfvertalingen even divers, veelzijdig en complex te zijn als ‘gewone’ vertalingen. Sommige lijken meer dan verwacht op ‘ideaaltypische’ vertalingen, terwijl andere minder voldoen aan gangbare opvattingen over hoe een vertaling eruit zou moeten zien – opvattingen die trouwens grotendeels speculatief zijn en zelden steunen op empirisch onderzoek naar daadwerkelijke vertalingen. Hoe kunnen we dan de ene categorie van de andere onderscheiden? Zijn er verschillen in aard of enkel verschillen in mate? Welke kenmerken, voor zover aanwezig, hebben zelfvertalingen gemeen die hen onderscheiden?
Sommige onderzoekers beschouwen zelfvertaling als een vorm van vertalen – een bijzondere vorm weliswaar, maar ontologisch niet verschillend van vertalen door derden. Anderen leggen de nadruk op het voorvoegsel auto-. Hoewel oorspronkelijk Grieks, komt het in vele Latijnse woorden voor en kan het pseudo-etymologisch – via zgn. paronomasie, een op gedeeltelijke klankovereenkomst berustende woordspeling – gekoppeld worden aan een ander Latijns woord, namelijk auctor (‘auteur’), met de reeds besproken daaruit voortvloeiende bijbetekenissen.
Deze twee standpunten, zoals eerst geopperd door Desideri (in Rubio Árquez & D’Antuono 2012: 16), kunnen worden geassocieerd met twee denkrichtingen, twee verschillende aanpakken. Literatuurwetenschappers beschouwen zelfvertalingen meestal als ‘een speciale vorm van herschrijven’, terwijl vele vertaalwetenschappers ze eerder zien als ‘een bepaald type vertaling’. De eerste houding overheerst in de verslagen van het in 2011 aan de universiteit van Bologna gehouden colloquium over Autotraduzione e riscrittura. In zijn inleiding definieert Prof. Andrea Ceccherelli (in Ceccherelli, Imposti & Perotto 2013: 14-15) zelfvertaling als ‘het herschrijven door de auteur in een andere taal’ (una riscrittura autoriale alloglotta). Het resultaat van zelfvertaling wordt daardoor een ‘tekstvariant’ in filologische zin en kan bijgevolg worden beschreven met behulp van instrumenten die ontwikkeld zijn door en voor de tekstkritiek.
Het tegenovergestelde standpunt, dat zelfvertalingen eigenlijk bij andere vertalingen horen (Tanqueiro 2009), wordt ook besproken door Ceccherelli. In zijn samenvatting van de gebundelde referaten van een recenter congres in Bologna (Self-translation as Inclusion of Diversity, 2023), geeft hij zelfs toe dat het ‘herschrijfbestanddeel vaak tot een minimum wordt beperkt, als het al aanwezig is.’ (Ceccherelli in Bąkowska, Ceccherelli & Marchesini 2025: 12) Hij vraagt zich af of schrijvers altijd gebruik maken van hun vrijheid om hun werk te herschrijven: ‘volledig herschrijven is veel zeldzamer dan voorbeelden van gelijkwaardige zelfvertaling [...], wat wil zeggen dat zelfvertaling altijd elementen van vertaling bevat, terwijl het niet noodzakelijk zo is dat ze elementen van herschrijving bevat.’ (Ceccherelli 2025: 15).
Dit is ook de conclusie die Anselmi (2012, 2018) en anderen trekken in tekstanalyses die de werkelijke grenzen van de auteursvrijheid bij zelfvertaling aantonen. Zelfs Perry (1981: 181), wiens citaat betreffende ‘bold shifts from the source text which [normally] would not have passed as an adequate translation’ vaak gerecycleerd werd sinds ik het aanhaalde in de eerste editie van de Routledge Encyclopedia of Translation Studies (Grutman 1998), was genuanceerder dan dat. Hij had er voorzichterwijze aan toegevoegd dat ‘one should check whether these shifts are really the consequence of the act of transferring from one literature to another, or whether they are changes that occurred in the poetics of the writer himself’ (Perry 1981: 181) tijdens het soms lange hiaat tussen beide versies, zoals gebeurde toen Samuel Beckett de taak op zich nam om Mercier et Camier in het Engels te vertalen.
Kenmerken van de zelfvertaling
Zelfvertalingen zijn er in vele soorten en maten (zie Recuenco Peñalver 2011 en Santoyo 2013 voor gedetailleerde typologieën). Ofschoon men zich meer en meer bewust wordt van de opvallende familiegelijkenis tussen zelfvertaling en vertaling tout court, lijkt de eerste toch een eigen logica te bezitten, een eigen ‘poëtica’ (Grutman 2026), qua vertaalrichting bvb., maar ook wat betreft de tijdspanne tussen de twee taalversies en de bevoorrechte toegang tot bronmateriaal.
Vertaalrichting
In de vertaalwetenschap verwijst het begrip ‘vertaalrichting’ naar het feit of de vertaling gebeurt vanuit of eerder naar de moedertaal. Dit laatste, ook bekend als ‘directe’ of L1 vertaling, is wat traditioneel van vertalers verwacht werd, hetgeen verklaart waarom er in eerder conservatieve sectoren van de vertaalmarkt zoals de uitgeverswereld nog steeds een zeker stigma rust op L2-vertalingen (d.w.z. vertalingen vanuit de moedertaal). In vele andere sectoren wordt echter vaak gevraagd aan moedertaalsprekers van minder gangbare talen om naar hun L2 te vertalen (Shuttleworth & Cowie 1997: 40-42, 90).
Dit geldt eveneens voor zelfvertalers wier moedertaal zelden wordt geleerd door buitenstaanders, zoals Euskara (Baskisch), Afrikaans of Jiddisch, om nog maar te zwijgen van inheemse talen van het Amerikaanse continent zoals Quechua of Mapudungun. Hoe zeldzaam L2- of ‘omgekeerde’ vertaling ook mag zijn in de wereld van reguliere literaire vertaling, lijkt het schering en inslag onder zelfvertalende schrijvers: het gebeurt erg vaak dat ze vertrekken van een in hun moedertaal geschreven tekst om die te herschrijven in een tweede, aangeleerde taal. Dit geldt vooral voor schrijvers die tot een taalminderheid behoren of een migratieachtergrond hebben, op voorwaarde natuurlijk dat er überhaupt nog zelfvertaling bij te pas komt en dat ze niet gewoon rechtstreeks in die aangeleerde L2-taal schrijven.
![]() |
![]() |
| Karen Blixen: eerste uitgaven van Out of Africa (UK, 1937) en Den Afrikanske Farm (Denemarken, 1937) | [Bron1 & Bron2] |
Een bijkomende, minder bestudeerde vorm van vertaalrichting houdt verband met wereldwijde taalstromen. Ook hier functioneert zelfvertaling anders omdat het een uitgesproken middelpuntzoekende (centripetale) dynamiek vertoont, met tientallen brontalen en slechts een handvol doeltalen: met name Engels en Frans, maar ook Spaans en Duits, Russisch en Italiaans. Dit is precies het tegenovergestelde van het patroon dat Heilbron (1999) ontdekte in zijn onderzoek naar boekvertalingen (in alle genres en domeinen). Hij constateerde een sterke middelpuntvliedende (centrifugale) beweging vanuit een zeer beperkt aantal brontalen (dezelfde als hierboven, en bijna in dezelfde volgorde) naar een veel groter aantal doeltalen. Terwijl mondiale vertaalstromen vloeien van het centrum naar de (semi)periferieën van het wereldtalenstelsel, neigen zelfvertalende schrijvers naar een zeer klein aantal zogenaamde wereldtalen, die hun prestige ontlenen aan het feit dat ze op grote schaal worden gebruikt in verschillende domeinen (Grutman in Cordingley 2013: 72-75 en in Lushenkova Foscolo & Smorag-Goldberg 2019: 17-30).
Telkens wanneer er sprake is van de ‘omvang’, het ‘gewicht’ of de ‘positie’ van talen, moet daarbij worden benadrukt dat dit geen absolute maatstaven zijn. Het gaat hem eerder om relatieve waarden in vergelijking met andere talen. De Deense zelfvertaalster Karen Blixen, bekend omwille van haar verfilmde roman Out of Africa (1937), kan hier als voorbeeld dienen. In haar tweetalige carrière overschaduwde het Engels haar moedertaal Deens, dat relatief gezien een veel ‘kleinere’ taal was (en is), zelfs rekening houdend met een zekere mate van wederzijdse verstaanbaarheid met het Noors en Zweeds. Aan de andere kant heeft het koninkrijk Denemarken een lange geschiedenis van expansie en kolonisatie. Voor een Inuit-schrijfster uit Groenland als Niviaq Korneliussen is het Deens dan weer een relatief grote taal waar zij zeker rekening mee moet houden. Daarom vertaalde ze haar in het Groenlands (of beter gezegd: Kalaallisut) geschreven debuutroman, Homo Sapienne (2014), zelf naar het Deens om op die manier gehoor te krijgen in het verre Kopenhagen (en in de Deenssprekende gemeenschap in Groenland zelf).
Zelfvertalers werken niet enkel in de ‘omgekeerde’ vertaalrichting, ze kunnen de conventionele hiërarchieën verder destabiliseren door in beide richtingen te vertalen. Sommige schrijvers hebben een uitgesproken voorkeur: Vladimir Nabokov herschreef voornamelijk bestaande Russische boeken in het Engels, een dominante vertaalrichting waarop alleen Lolita en zijn autobiografie uitzonderingen vormen. Anderen gaan heen en weer tussen talen, soms zelfs herhaaldelijk: getuige de spiegelversies van Terres de l'Ebre en Tierras del Ebro, een roman die Sebastià Juan Arbó steeds opnieuw bewerkte in afwisselende Catalaanse en Spaanse edities (Ramis in Gallén, Lafarga & Pegenaute 2010: 342). Dit soort tweerichtingsverkeer is zonder twijfel een van de meest opvallende kenmerken van zelfvertaling.
De tijdspanne tussen de twee taalversies
Een ander opvallend kenmerk is dat versies in verschillende talen (erg) kort na elkaar kunnen worden geproduceerd, zoals we zonet zagen bij Blixen: haar beroemdste roman werd in het Engels geschreven en vervolgens in het Deens vertaald, maar beide edities zagen het licht in hetzelfde jaar (1937).
De tijdspanne tussen de twee teksten kan enorm variëren. Zowel in de carrière van Beckett als in die van Nabokov zijn er voorbeelden van zelfvertalingen die tientallen jaren na hun origineel verschenen. Maar het interval kan ook veel korter zijn: een paar maanden, weken of zelfs dagen. Daarom is het nuttig een aantal verschillende scenario’s (Gentes 2017, hfst. 6; Grutman 2026, hfst. 3) te onderscheiden, waarvan het meest onconventionele zonder twijfel de ‘gelijktijdige zelfvertaling’ is, waaraan wordt begonnen ‘while the first version is still in progress’ (Grutman 1998: 20). In dit scenario komen beide teksten gelijktijdig tot stand, of toch tenminste met gelijke tred (pari passu), maar dat neemt niet weg (zoals alle vier de auteurs in de volgende voorbeelden erkennen) dat bij het proces heel wat vertalen komt te kijken.
![]() |
![]() |
| Voor de Nederlandse en Spaanse edities werden dezelfde titel en omslag gebruikt | [Bron1 & Bron2] |
Neem bijvoorbeeld Yoko Tawada’s roman Das nackte Auge (2004), die hetzelfde jaar in Japan verscheen met een iets andere titel, ‘Reizen met het blote oog’ (旅をする裸の眼, Tabi wo suru hadaka no me). Tawada begon in het Japans, vertaalde wat ze had geschreven naar het Duits en ging verder in die laatste taal, om dan het nieuwe gedeelte naar het Japans te vertalen, enzovoort (Saito 2010). Tawada zelf bestempelt haar werkwijze als ‘voortdurende vertaling’ (絶え間ない翻訳, taema nai hon'yaku), een proces waarvan niets te merken viel in het eindproduct: de boeken verschenen afzonderlijk in Japan en in Duitsland, in ééntalige uitgaven. Iets soortgelijks gebeurde in Spanje met de roman L’adoració perpètua (1997 in het Catalaans) en La adoración perpetua (1999 in het Spaans), die Lluís Maria Todó nochtans tegelijkertijd in beide talen had geschreven.
Soms volgt de taalafwisseling een duidelijk patroon. Nancy Huston en Laia Fàbregas hebben allebei een roman geschreven – respectievelijk Instruments of Darkness/Instruments des ténèbres (1997) en Landen (2010) – met afwisselende hoofdstukken in verschillende talen: Frans en Engels voor Huston, Nederlands en Spaans voor Fàbregas. In beide gevallen werd dit niet alleen mogelijk, maar zelfs aannemelijk gemaakt door parallelle verhaallijnen met twee verschillende vertelinstanties. Toch werd geen van de boeken in zijn oorspronkelijke tweetalige formaat gepubliceerd, maar verschenen ze afzonderlijk in het Frans en het Engels, het Nederlands en het Spaans. Huston en Fàbregas vertaalden telkens de helft van de roman in de andere taal om op die manier twee ééntalige versies voor verschillende markten tot stand te brengen. In het geval van Fàbregas werden dezelfde titel en dezelfde omslagafbeelding gebruikt door de Nederlandse (Anthos) en Spaanse (Alfaguara) uitgeverijen. Merkwaardig genoeg bleef de titel onvertaald in het Spaans, waarschijnlijk om de polysemie van het woord ‘landen’ te behouden in een roman die zich afspeelt tijdens een vlucht van Nederland naar Spanje. Het werkwoord kan weliswaar vertaald worden als aterrizar maar het (meervoudige) naamwoord wordt dan weer países, zoals in ‘los Países Bajos’ (een term die zowel kan verwijzen naar het huidige Nederland als naar de historische Nederlanden).
Bevoorrechte toegang tot bronmateriaal
Schrijvers die hun eigen werk vertalen, herinneren zich wellicht nog wat ze wilden zeggen, hetgeen natuurlijk onmogelijk is voor buitenstaanders. Ze hebben waarschijnlijk ook een redelijk goed idee van ‘de oorspronkelijke culturele context of literaire intertekst’ (Jung 2002: 30), terwijl vertalers harder moeten werken om literaire toespelingen te herkennen, of historische verwijzingen naar (lokale) gebeurtenissen en figuren. Deze bevoorrechte toegang kan echter een tweesnijdend zwaard zijn, in die zin dat zelfvertalers hun werk misschien ‘te goed’ kennen. Ze werken ‘niet alleen met het eindproduct’, maar ‘herinneren zich ook het ontstaansproces van het werk – de valse starts, de doodlopende wegen, de koerswijzigingen, alle beslissingen en toevalligheden die het eindproduct hebben gevormd’ (Pérez Firmat 2003: 107).
Zulke volmaakte herinnering is natuurlijk geenszins gegarandeerd. Het menselijk geheugen is onstabiel en onbetrouwbaar. Er zijn talloze voorbeelden van schrijvers die, geconfronteerd met materiaal dat ze jaren eerder hadden geschreven, zich weinig of niets meer konden herinneren van hun oorspronkelijke ‘bedoeling’. William Faulkner stond erom bekend dat hij The Sound and the Fury uit het hoofd kende, maar toch kon hij een bepaalde zin niet uitleggen aan zijn Franse vertaler, Maurice-Edgar Coindreau: ‘Hij las ze, las ze nog eens en begon toen te lachen. ‘Ik heb geen enkel benul van wat ik bedoelde’’ (Hersant 2017: 103). Hun gesprek vond plaats in juni 1937, acht jaar nadat Faulkner de roman in kwestie had geschreven.
Het is niet anders wanneer tweetalige schrijvers hun eigen werk herlezen met de bedoeling om een equivalent in hun andere taal te produceren. Ze moeten hun teksten eerst herlezen en misschien, als er te veel tijd is verstreken, zelfs herontdekken. Ze ‘begrijpen misschien niet eens helemaal hun eigen motivatie om bepaalde passages, bepaalde voorbeelden of een bepaalde stijl te kiezen’ (Jung 2002: 28-29).
Langs de andere kant is het mogelijk dat zelfvertalers allerlei materiaal (documentatie, aantekeningen, kladversies...) bewaard hebben dat goed van pas kan komen tijdens het vertaalproces. Hoewel er voorbeelden bestaan van externe vertalers die werken op basis van drukproeven of zelfs een nog niet gepubliceerd manuscript, is dit zeker niet de regel (afgezien van gevallen waarin schrijvers hun partners of familieleden als het ware ‘inhuren’ als vertalers). Voor solo zelfvertalers is toegang tot dergelijk aanvullend materiaal daarentegen bijna vanzelfsprekend. Dit is misschien wat we best onthouden wanneer we het hebben over ‘bevoorrechte toegang’, in plaats van het erg vage begrip van een schrijvers ‘ware bedoeling’.
Tot voor kort spitste onderzoek zich voornamelijk toe op literaire vertalingen uit de 20e en 21e eeuw. Naast een indrukwekkend aantal casestudy’s waren er verschillende pogingen om de vergaarde kennis te systematiseren en de praktijk van zelfvertaling te theoretiseren. Zo vinden we tekstuele, paratekstuele en contextuele (historische, sociologische) analyses, evenals studies die zich richten op specifieke regio’s (zie Cordingley 2019 en Gentes in Lushenkova Foscolo & Smorag-Goldberg 2019 voor meer informatie).
Verder onderzoek is nodig naar artistieke vormen die doorgaans niet met letterkunde worden geassocieerd, zoals stand-upcomedy (Dore 2022), stripverhalen (Van Dijk 2024), filmscenario’s of songteksten. We weten ook zeer weinig over het kleine aantal schrijvers dat meer dan twee talen bezigt (Gentes 2017, hoofdstuk 7) of over de veel grotere groep die het bekeken houdt na een of twee pogingen en dus nooit ‘toegewijde’ (Kippur 2015) zelfvertalers worden.
We krijgen meer zicht op zelfvertalingen in de vroegmoderne tijd alsook op niet-literaire zelfvertalingen. Deze praktijk heeft altijd bestaan in geleerde kringen (Willer & Keller 2020), maar de opkomst van het Engels als lingua franca in de wetenschap zorgt voor een nieuwe kloof tussen publiceren in het Engels en verdwijnen (‘publish or perish’) in de meeste andere talen. Vele universiteiten buiten de Engelstalige wereld verwachten nu dat hun academisch personeel publiceert en zelfs doceert in L2 Engels, met als doel hun internationale zichtbaarheid te vergroten.
Ook zijn we ons steeds meer bewust dat vele zelfvertalingen op samenwerking berusten en dus erg lijken op ‘duovertalingen’ (Dasilva 2016; Sperti in Ferraro & Grutman 2016: 141-167; Gentes 2017, hfst. 8; Grutman 2026, hfst. 1). Het verband met hervertaling en indirecte vertaling, daarentegen, moet verder uitgespit worden, evenals het groeiende fenomeen van online zelfvertaling, variërend van blogs tot sociale media (Desjardins 2019). Het zal niemand verbazen dat dit steeds vaker gebeurt met behulp van AI – deze laatste factor zal ongetwijfeld een revolutie teweegbrengen, aangezien zelfvertaling nu binnen handbereik komt van mensen wier onvolmaakte taalvaardigheid hen tot nu toe belette om zelfs maar te overwegen in een andere taal te schrijven





